Zowel voor kinderen die bang zijn van water als zij die overmoedig zijn en denken dat ze overal veilig zijn, wordt bewuster gewerkt aan graag en verantwoord bewegen in het water. Zo kunnen ze diverse aquatische activiteiten levenslang beoefenen.

De leerlijn zwemmen en de hieraan gekoppelde niveaus werden door meerdere experts van Baan Vier uitgewerkt. Deze methodische opbouw, is uitvoerig getest en wetenschappelijk onderbouwd.

Filosofie:

Veiligheid

  • Essentieel is niet dat kinderen 25, 50 of 100 meter kunnen zwemmen, maar wel dat zij zichzelf kunnen redden uit noodsituaties. Onderzoek toont aan dat ‘Het Brevet’ geen garantie is op zelfredzaamheid.
  • Veilig leren zwemmen betekent voor in de zwemacademie :
    1. watervrij zijn,
    2. kennis en kunde om zichzelf te kunnen redden (zelfredzaamheid)
    3. ontspannen in het water kunnen zijn of bewegen.
  • Kinderen, ouders en toezichthouders moeten er zich veilig mee voelen. Veilig leren zwemmen in een zwemparadijs betekent ook omgaan met stilstaand en bewegend water.
  • De zwemacademie zal stappen ondernemen om de oefenstof en de leerlijnen duidelijker af te stemmen op dat aspect van veiligheid. Vanaf de eerste fase van de watergewenning zullen we de kinderen leren om bijvoorbeeld via een trap uit het water te klimmen. Ook de kennis van gevaar zal op een kindvriendelijke wijze worden aangepakt.

Fun

  • In plaats van een saaie, mechanische aanpak (“Zwem van A naar B”) leggen wij de klemtoon op Nuttige Fun.
  • Zwemmen moet plezant zijn. De zwemacademie wil door middel van een funaspect de basisvaardigheden in het water ontwikkelen. We gebruiken bijvoorbeeld een waterlandschap (waterspeeltuin) om de stap naar het grote bad te zetten en zo vanuit de plezierbeleving van het kind levensnoodzakelijke ervaringen op te doen.

Diversiteit van zwemslagen

  • De zwemacademie streeft naar een breed, motorische ontwikkeling in het water. Deze grote blok van vaardigheden vormt een verrijking in de motorische ontwikkeling van het kind zowel op het droge als in het water. Daarenboven bouwt het kind aan een degelijke fundering voor een latere verdieping in de zwemsport of een verbreding naar andere aquatische activiteiten. De eerste zwemslag, een heel eenvoudige rugslag, is op maat van het kind.
  • Belangrijk is dat er voldoende aandacht gaat naar de zeven aquatische basisvaardigheden die de overgang naar het genormeerd zwemmen (rugslag, crawl, schoolslag) mogelijk maken
    • Veilig te water gaan, aan de oppervlakte komen, zich oriënteren en uit het water klimmen
    • 5–10 seconden drijven op buik en rug (sterren)
    • Afduwen en horizontaal stroomlijnen op buik en rug (stroomlijnen)
    • Ritmisch in- en uitademen (boven water in, onder water uit) (aquatisch ademen)
    • Armen gebruiken om in alle richtingen te stuwen (stuwing armen)
    • Benen gebruiken met verschillende voetposities (gestrekt of gehoekt) (stuwing benen)
    • Draaien rond de drie lichaamsassen en evenwicht bewaren (op en onder water) (rotaties)
  • In de speeltuin leren we kinderen van 4/5jaar, bij voorkeur zonder drijfmiddelen en in het diepe deel, om hun eerste meters zelfstandig te “zwemmen”. We demonstreren oppervlakkig een zwemslag en laten de kinderen in een vereenvoudigde situatie een kopie maken. We veranderen regelmatig van zwemslagen (de armen werken bijvoorbeeld de ene keer symmetrisch, de andere keer asymmetrisch ) en vragen welke slag het kind het meest leuk vindt. Daar mag hij dan verder mee experimenteren in de speeltuin. In deze fase is er dus eigenlijk geen specifieke instructie van één bepaalde voorkeurslag alleen maar kopieergedrag gebaseerd op een natuurlijke voorkeur. Na enkele weken laten we hen, met die favoriete zwemslag, ongeveer 5 tot 10m zelfstandig “zwemmen”.

Zwemslagen

In de hoogste groepjes (vanaf haai naar stijlen 1, 2 en 3) vorderen we naar het aanleren van een zwemstijl zoals we die kennen (crawl schoolslag en rugslag). Eens het kind een zwemslag genoeg onder de knie heeft bieden we alternatieven aan uit het reddend zwemmen, duiken-snorkelen, enz